← Back to Lessons
Teaching
Lesson 1 — [object Object]
📖Component 1: The Story
Het is de eerste dag van de Nederlandse les.
Meneer Parker komt binnen.
“Goedemorgen, leerlingen.”
De klas zegt:
“Goedemorgen, meneer.”
Alejandro staat op.
“Hallo. Ik heet Alejandro. Ik ben Argentijn.”
Peter zegt:
“Ik heet Peter. Ik ben Canadees.”
Mishiko zegt zacht:
“Ik ben Mishiko. Ik ben Japans.”
Amy glimlacht.
“Zij is rustig.”
Meneer Parker knikt.
“Vandaag spreken wij Nederlands.”
🔊 Audio
Full story audio with native speaker (Netherlands)
Speed:
✅ Sentence-by-sentence replay enabled
📌Other Lesson Content
Component 1
explanation
en
In Dutch, you say: Ik heet + name Example: Ik heet Alejandro. Ik heet Peter.
examples
- Ik heet Alejandro.
- Ik heet Peter.
Component 2
explanation
en
Use "Ik ben" to say who you are or to describe yourself. Structure: Ik ben + nationality Ik ben + adjective
examples
- Ik ben Argentijn.
- Ik ben rustig.
- Ik ben Canadees.
Component 3
explanation
en
To describe someone else, use: Hij is + adjective Zij is + adjective
examples
- Hij is grappig.
- Zij is rustig.
Component 4
text
en
• "g" in "goedemorgen" is pronounced in the throat. • "ee" in "heet" is long. • Speak clearly and calmly.