← Back to Lessons
Teaching
Lesson 3 — [object Object]
📖Component 1: The Story
Meneer Parker kijkt naar Alejandro.
“Hoe oud ben je?”
Alejandro antwoordt:
“Ik ben 14 jaar.”
Peter zegt:
“Ik ben 13 jaar.”
Mishiko zegt zacht:
“Ik ben 14.”
Meneer Parker glimlacht.
“Goed. Ik ben 40 jaar.”
De klas lacht.
🔊 Audio
Full story audio with native speaker (Netherlands)
Speed:
✅ Sentence-by-sentence replay enabled
📌Other Lesson Content
Component 1
explanation
en
In Dutch, you say: Ik ben + number + jaar Example: Ik ben 14 jaar. You can also say: Ik ben 14.
examples
- Ik ben 14 jaar.
- Hij is 13 jaar.
- Zij is 12 jaar.
Component 2
explanation
en
To ask someone’s age, say: Hoe oud ben je? Answer: Ik ben 14 jaar.
examples
- Hoe oud ben je?
- Ik ben 15 jaar.
Component 3
text
en
0 nul 1 één 2 twee 3 drie 4 vier 5 vijf 6 zes 7 zeven 8 acht 9 negen 10 tien 11 elf 12 twaalf 13 dertien 14 veertien 15 vijftien 16 zestien 17 zeventien 18 achttien 19 negentien 20 twintig
Component 4
text
en
• "oud" has a diphthong sound. • "één" has a long "ee" sound. • Speak numbers clearly and calmly.